Sardinië laat zich niet in één indruk vangen. Wie vanuit Olbia de kustweg naar het noordoosten volgt, ziet granieten rotsen die door wind en zout water tot bizarre vormen zijn geslepen, met daartussen jachten die aan de horizon liggen te wachten op hun eigenaar. Een uur verderop, het binnenland in, verdwijnt die glans volledig. Daar liggen bergdorpen waar herders hun kuddes nog te voet verplaatsen en waar het Sardisch, niet het Italiaans, de eerste taal aan de toog is.
Die twee werelden bestaan naast elkaar op een eiland dat bijna drie keer zo groot is als Mallorca, en dat is meteen de kern van een goede reis hierheen: Sardinië is geen enkele bestemming, maar een verzameling van vier heel verschillende gezichten. De noordoostkust met de Costa Smeralda en de Gallura, het ruige binnenland van de Barbagia, de hoofdstad Cagliari met de zuidkust, en de westkust rond Bosa, Alghero en Oristano. Wie vooraf weet welk gezicht hem het meest aanspreekt, bespaart zichzelf een hoop rijtijd en een teleurstellende eerste indruk.
De Costa Smeralda en de Gallura: graniet, jetset en stilte tussen de rotsen
De naam Costa Smeralda wekt meteen een beeld op: superjachten, designboetieks, prijzen die niet op het menu staan. Dat beeld klopt, maar het is ook maar een deel van het verhaal. Tot in de jaren zestig was dit stuk kust in de Gallura vrijwel onbewoond terrein, tot een consortium onder leiding van prins Karim Aga Khan er een mediterraan toevluchtsoord van maakte. Wat restte was een architectuurbeleid dat streng genoeg was om het landschap grotendeels intact te laten: lage gebouwen in aardse kleuren, geen enkel hoogbouwsilhouet aan de horizon.
Porto Cervo blijft het hart van de regio, met een piazzetta waar de aperitivo-uren zich net zo goed lenen voor mensen kijken als voor de zonsondergang boven de haven. Wie verder rijdt richting Palau vindt een rustiger register: badplaatsen zonder de jetset-associaties, en uitzicht op de Maddalena-archipel, het natuurpark met zeven hoofdeilanden dat per boot vanuit Palau binnen twintig minuten te bereiken is. La Maddalena verdient een dag apart, eerder dan een uitstapje tussen twee stranden door.
Wie de Costa Smeralda als uitvalsbasis kiest, doet er goed aan buiten het hoogseizoen te reizen: in juli en augustus verdrievoudigen de prijzen voor een hotel in Porto Cervo zich moeiteloos, terwijl de kust in mei of september evenveel zon geeft zonder de drukte. De rit van Olbia naar Palau duurt ongeveer drie kwartier; wie tijd wil overhouden voor een boottocht naar de eilanden, boekt beter in de buurt van de haven dan midden in Porto Cervo.

De Barbagia: het binnenland waar Sardinië zichzelf blijft
Wie de kust achter zich laat en het binnenland in rijdt, merkt het verschil al na een paar haarspeldbochten. De temperatuur zakt, de begroeiing verandert van macchia in steeneiken en kurkbomen, en de dorpen worden kleiner en stiller. Dit is de Barbagia, van oudsher het minst toegankelijke deel van Sardinië, en niet toevallig ook het deel waar de oude Sardijnse tradities het langst hebben standgehouden.
Nuoro fungeert als culturele hoofdstad van de streek, met musea die de tradities van de bergdorpen documenteren. Interessanter is vaak Orgosolo, een dorp waar sinds de jaren zeventig honderden muurschilderingen het straatbeeld bepalen, ontstaan uit politiek protest en inmiddels uitgegroeid tot een verhalend archief van het dagelijks leven op het platteland. In de Supramonte, het kalksteenmassief ten oosten van Nuoro, snijdt de Gola di Gorropu zich als een van de diepste kloven van Europa door het landschap, een wandeling die eerder stevige schoenen dan een strandtas vraagt.
Overal in de Barbagia liggen nuraghi, de duizenden jaren oude stenen torens waarvan niemand met zekerheid weet waarvoor ze precies dienden. Wie meer wil weten over deze prehistorische beschaving dan een bordje langs de weg vertelt, vindt in dit artikel over de nuraghi een uitgebreidere achtergrond, inclusief welke vindplaatsen de moeite van een omweg waard zijn.
Een agriturismo is voor de Barbagia bijna vanzelfsprekender dan een hotel: de streek leeft van schapenteelt en zelfvoorzienende landbouw, en veel boerderijen verhuren kamers en serveren een avondmaal met producten van eigen grond. Wie hier overnacht, proeft meer van Sardinië dan wie langs de kust blijft.
Wie deze streek verder wil verkennen dan een dagtocht toelaat, vindt in dit uitgebreide artikel over de Barbagia meer over Nuoro, Orgosolo en de Gola di Gorropu.

Cagliari en de zuidkust: de hoofdstad als vertrekpunt
Cagliari wordt vaak overgeslagen door reizigers die rechtstreeks naar de kust doorrijden, en dat is jammer. De oude wijk Castello ligt op een heuvel boven de rest van de stad, omgeven door vestingmuren die uitzicht geven over de Golf van Cagliari, en onder de straten van de stad ligt een netwerk van Romeinse en middeleeuwse tunnels dat deels te bezoeken is. Wie een paar dagen aan het begin of einde van een reis in Cagliari doorbrengt, combineert stadsleven met de zuidkust, waar stranden als Poetto direct grenzen aan het centrum.
Verder naar het zuidwesten wordt het rustiger: de kustlijn rond Chia en Villasimius trekt minder internationaal publiek dan de Costa Smeralda, met dezelfde kwaliteit water tegen een lagere prijs. De luchthaven van Cagliari (CAG) maakt deze regio ook praktisch gezien een logisch startpunt voor wie het zuiden van het eiland wil verkennen zonder eerst een lange rit vanuit Olbia te maken.
Overnachten in Cagliari zelf loont voor wie van stadsleven houdt en ’s avonds nog een restaurant wil kunnen bereiken zonder de auto te pakken; wie liever aan zee slaapt, vindt tussen Cagliari en Chia genoeg opties zonder concessies te doen aan de reistijd naar de stad.

De westkust: Bosa, Alghero en de rust van Oristano
De westkust van Sardinië mist de bekendheid van de Costa Smeralda, en dat is precies waarom veel reizigers er de rust vinden die ze op de noordoostkust niet meer aantreffen. Bosa ligt aan de monding van de Temo-rivier, met pastelkleurige huizen die tegen de heuvel oplopen naar het Malaspina-kasteel. Het is een van de weinige plekken op het eiland waar een rivier, in plaats van de zee, het decor vormt.
Noordelijker ligt Alghero, waar de Catalaanse geschiedenis nog hoorbaar is in het lokale dialect. De stad werd van de dertiende tot de achttiende eeuw door Spanje bestuurd, en die periode liet sporen na in de vestingmuren, de architectuur en zelfs in straatnaamborden die in twee talen zijn gesteld. Vanuit Alghero is de boottocht naar de Grotta di Nettuno, een druipsteengrot bij Capo Caccia, een van de weinige uitstapjes op het eiland waarbij de reis er net zo bij hoort als de bestemming.
Tussen Alghero en Bosa in strekt zich een kustweg uit met weinig bebouwing en veel uitzicht, en verder zuidwaarts ligt Oristano, minder toeristisch dan de rest van de westkust en daardoor een goede uitvalsbasis voor wie de stranden van het schiereiland Sinis wil combineren met een rustiger avondprogramma. Wie de mooiste stranden van Sardinië op een rij wil zien, inclusief de minder bekende exemplaren aan deze kust, vindt daar een uitgebreider overzicht.

Praktische wegwijzer voor een vakantie op Sardinië
Beste reistijd
April tot en met juni en september tot en met oktober bieden de beste balans tussen weer en drukte: temperaturen tussen de 20 en 27 graden, warm genoeg voor de zee, koel genoeg voor een wandeling in de Barbagia. Juli en augustus zijn het hoogseizoen langs de kust, met torenhoge prijzen op de Costa Smeralda en volle wegen richting de stranden. Wie het binnenland wil verkennen, kan dat vrijwel het hele jaar door, al is de winter er kouder dan de kustregio’s laten vermoeden.
Aankomst: vliegtuig of veerboot
Sardinië heeft drie internationale luchthavens: Cagliari (CAG) in het zuiden, Olbia (OLB) in het noordoosten en Alghero (AHO) in het noordwesten. Welke van de drie het handigst is, hangt vooral af van welke regio het startpunt van de reis wordt. Wie liever de auto meeneemt, kan met de veerboot vanuit Genua, Livorno of Civitavecchia naar Olbia, Porto Torres of Cagliari overvaren; die overtocht duurt, afhankelijk van de haven, tussen de zes en elf uur.
Vervoer op het eiland
Een huurauto is op Sardinië geen luxe maar een randvoorwaarde, zeker voor wie zowel de kust als het binnenland wil zien. Het openbaar vervoer buiten de grotere steden is beperkt, en veel van de mooiste plekken in de Barbagia en aan de westkust liggen simpelweg niet aan een buslijn. De wegen zijn over het algemeen goed onderhouden, al vragen de bergwegen in het binnenland meer rijtijd dan de afstand op de kaart doet vermoeden.

Accommodatie kiezen
Sardinië biedt het hele spectrum: van resorts aan de Costa Smeralda tot eenvoudige vakantiewoningen aan de westkust en agriturismo’s in het binnenland. Wie meerdere regio’s wil combineren, doet er goed aan de reis in twee of drie etappes met wisselende accommodatie in te delen, in plaats van vanuit één basis het hele eiland te willen bezien: de afstanden zijn groter dan de kaart suggereert, en een rit van de Costa Smeralda naar Cagliari kost al snel drie tot vier uur.
Roadtrips door Sardinië
Voor wie liever een uitgestippelde route volgt dan zelf een reisschema samen te stellen, zijn er op Sardinië talloze mogelijkheden om de regio’s per auto aaneen te rijgen. In dit overzicht van de mooiste roadtrips door Sardinië staan verschillende routes uitgewerkt, van korte tochten langs de noordkust tot langere rondreizen die het hele eiland aandoen. Wie zelf een route samenstelt, doet er goed aan telkens een nacht accommodatie te boeken in de buurt van het eindpunt van de dag, in plaats van ’s avonds nog een uur door te rijden na een lange dag onderweg.

Sardinië voorbij het strand
Wat Sardinië onderscheidt van andere Italiaanse eilanden, is niet de kwaliteit van het water, hoe helder dat ook is, maar het contrast tussen de kust en wat daarachter ligt. Een reis die zich beperkt tot de Costa Smeralda toont een fractie van het eiland; wie ook een dag in de Barbagia doorbrengt of een middag door Cagliari dwaalt, ziet een Sardinië dat zich niet naar toeristen plooit, en dat is precies waarom het de moeite waard blijft.
FAQ: veelgestelde vragen over een vakantie op Sardinië
Wat is de beste manier om Sardinië te combineren: kust of binnenland?
De meeste reizigers combineren beide door de reis in etappes op te delen, met twee tot drie nachten per regio. Een route die start aan de Costa Smeralda, via de Barbagia naar Cagliari loopt en terugkeert langs de westkust, laat alle vier de gezichten van het eiland zien zonder dat de dagelijkse rijtijd te veel oploopt.
Hoeveel dagen heb je nodig voor een rondreis over Sardinië?
Voor een rondreis die kust, binnenland en minstens twee regio’s combineert, is tien tot veertien dagen realistisch. Met minder tijd is het verstandiger één regio grondig te verkennen, bijvoorbeeld de noordoostkust met de Maddalena-archipel, dan het hele eiland in een te krap schema te proppen.
Is Sardinië geschikt voor een vakantie met kinderen?
Zeker, vooral de zuid- en oostkust met hun ondiepe, beschutte baaien lenen zich goed voor gezinnen. De bergwegen in de Barbagia en de langere autoritten tussen regio’s vragen wel iets meer geduld van jonge kinderen dan een vakantie die zich tot één kuststrook beperkt.
Wat is het verschil tussen de Costa Smeralda en de rest van de Gallura?
De Costa Smeralda is een specifiek, strak gereguleerd kustgebied met een hoog prijsniveau, terwijl de Gallura de bredere regio eromheen is, met dorpen en stranden die dezelfde granieten kust delen maar veel toegankelijker geprijsd zijn.
Kun je Sardinië zonder auto bezoeken?
Binnen steden als Cagliari en Alghero is dat prima te doen, maar voor het binnenland en de meeste stranden buiten de grote plaatsen is een huurauto vrijwel onmisbaar, omdat het openbaar vervoer daar beperkt of afwezig is.

