Ze lopen van de Ligurische kust tot aan de punt van de laars — meer dan 1.200 kilometer lang, soms breed en glooiend, soms smal en steil als een muur. De Apennijnen zijn niet het Italië van de ansichtkaart. Geen Colosseum, geen Canal Grande, geen cipressensilhouetten op een heuvelrug in Toscane. Wat dit gebergte biedt is iets anders: ruimte, stilte, landschappen die nauwelijks veranderd zijn in eeuwen, en een versie van Italië die de meeste reizigers nooit zien.
Wie de snelweg verlaat en de bergen in rijdt, merkt al snel dat de Apennijnen geen homogene keten zijn. Elk deelgebied heeft zijn eigen klimaat, zijn eigen dialect, zijn eigen keuken. De Noord-Apennijnen ruiken naar kastanjebossen en regen. De Centraal-Apennijnen openen zich tot hoge plateaus en middeleeuwse bergdorpen. In het zuiden worden de hellingen kaler, de ravijnen dieper, de stilte groter. Het is één gebergte met tientallen gezichten.
Sogno Italiano e-book
Rijd de mooiste routes door Italië — zonder te missen wat ertoe doet
12 zorgvuldig samengestelde autoroutes met de mooiste wegen, stopplaatsen en tips per route. Bespaar jezelf uren uitzoekwerk en reis met de zekerheid van een expert. 100+ pagina’s.
Noord-Apennijnen: kastanjes, marmer en wilde rivieren
Het noordelijke deel van de Apennijnen strekt zich uit over Ligurië, Emilia-Romagna en het noorden van Toscane. Hier is het gebergte het dichtst bebost, het groenst van allemaal. De Apuaanse Alpen — strikt genomen een uitloper, maar onlosmakelijk verbonden met dit landschap — rijzen abrupt op boven de Toscaanse kust. Wit marmer tekent de bergtoppen af alsof er sneeuw ligt die nooit smelt. Carrara is hier niet ver vandaan.
Dieper het binnenland in ligt de Garfagnana, een vallei langs de rivier de Serchio die als een groene tunnel tussen de bergen doorloopt. Dorpen als Barga en Castelnuovo di Garfagnana hangen aan de hellingen als nesten. De streek leeft van kastanjes — farina di castagne zit in pasta, brood en koeken — en van stilte. Toeristen komen hier minder dan in de kustvlakte die eronder ligt, en dat is precies wat de plek zijn karakter geeft.
Verder naar het oosten, richting Emilia-Romagna, worden de Apennijnen zachter en boller. Dit is het land van de Parmigiano Reggiano, de Prosciutto di Parma, de wijnroutes door de Colli Piacentini. Het gebergte fungeert hier als klimaatscheiding: aan de noordzijde de Po-vlakte met zijn nevel en kou, aan de zuidzijde de warmte van de Middellandse Zee. Wie via de Passo della Cisa van Parma naar La Spezia rijdt, voelt die overgang fysiek.
Praktische tips & overnachten:
Plan voor de Garfagnana minimaal twee nachten — de vallei is groter dan ze eruitziet op de kaart. Een agriturismo of B&B in de heuvels boven de Serchio geeft de beste toegang tot zowel de dorpen als de wandelroutes in het omliggende park. Vermijd de smalle bergwegen na hevige regenval; sommige zijn in de winter gedeeltelijk afgesloten.

Centraal-Apennijnen: hoogvlaktes, wolven en verstild steen
Het centrale deel is waar de Apennijnen hun meest dramatische vorm aannemen. Hier liggen de hoogste toppen, de breedste hoogvlaktes en de langst onberoerde natuur van het gebergte. Le Marche, Umbrië, Abruzzo en het noorden van Lazio delen dit landschap — een wereld van schapen, gieren en dorpen die op rotspunten gebouwd werden uit noodzaak, niet uit esthetiek.
De Monti Sibillini vormen het hart van dit gebied. Het massief loopt langs de grens van Umbrië en Le Marche en omvat een van de mooiste nationale parken van Italië. In het voorjaar bloeit het Piano Grande van Castelluccio — een vlakte op 1.400 meter hoogte — in felle kleuren linzen, papavers en korenbloemen. In de winter ligt er sneeuw en is de stilte bijna tastbaar. Norcia, aan de voet van het massief, is het vertrekpunt en tegelijk een van de beste eettafels van Centraal-Italië: truffels, zwijnworst, lenticchie di Castelluccio.

Verder naar het oosten rijst de Gran Sasso op — de hoogste top van de Apennijnen, met de Corno Grande op 2.912 meter. Het plateau van Campo Imperatore, dat zich uitstrekt aan de voet van het massief, wordt soms het “kleine Tibet van Italië” genoemd — een etiket dat overdreven klinkt totdat je er staat. Vlak en uitgestrekt, omzoomd door kale toppen, zonder boom of huis zover het oog reikt. Wolven leven hier. Bruine beren ook, in de parken van Abruzzo.
Het Nationaal Park Abruzzo, Lazio en Molise is een van de oudste en best beschermde wildernisgebieden van het land. Pescasseroli is het centrale dorp, maar de echte beleving zit in de valleien eromheen: wandelen door beukenbossen, een bruine beer spotten op een vroege ochtend, de afwezigheid van alles wat het dagelijks leven gewoonlijk vol maakt.
Praktische tips & overnachten:
Het centrale deel van de Apennijnen leent zich voor een rondreis van vijf tot zeven dagen, met overnachtingen in Norcia, L’Aquila of een van de kleinere bergdorpen. Boek een vakantiewoning of agriturismo — hotels zijn dun gezaaid buiten de grotere plaatsen. Houd rekening met de hoogte: temperaturen kunnen ook in de zomer fors dalen na zonsondergang. De beste periode is mei–juni en september–oktober.

Zuid-Apennijnen: ruwheid, eenzaamheid en Grieks verleden
Voorbij Campania veranderen de Apennijnen van karakter. De bossen dunnen uit. De hellingen worden rotsiger, de ravijnen dieper, de bewoning schaarser. Dit is het Italië dat lange tijd vergeten werd door de moderne economie — en daardoor bewaard is gebleven in een vorm die elders allang verdwenen is.
Basilicata is misschien de meest onbekende schakel in de keten. De Lucaanse Apennijnen zijn hoog en kaal, doorsneden door diepe kleiheuvels die de Italianen calanchi noemen — geërodeerde, maanachtige landvormen die fotogeniek zijn op een manier die geen enkel toerismebureau bedacht had kunnen verzinnen. Matera ligt aan de rand van dit gebied, niet in de bergen maar ertegenaan geleund.
Verder naar het zuiden ligt het Pollino-massief, het grootste nationale park van Italië naar oppervlakte. Oude Loriciana-pijnbomen, sommige meer dan duizend jaar oud, groeien op de hoogste punten. De streek wordt bewoond door Arbëreshë — nakomelingen van Albanese vluchtelingen die hier in de vijftiende eeuw neerstreken — en in de dorpen klinken nog dialecten die verder nergens in Italië te horen zijn.
Calabrië sluit de keten af. De Sila, een hoog bosplateau in het hart van het schiereiland, voelt als een andere wereld vergeleken met de zee die aan beide kanten slechts dertig kilometer verderop ligt. Meren, dennen, kleine bergdorpen. En dan, een halfuur rijden, het strand. Die combinatie — gebergte en kust binnen één dagrit — is nergens in Europa zo compact als hier.
Praktische tips & overnachten:
Het zuiden van de Apennijnen vraagt om eigen vervoer — openbaar vervoer is beperkt en de afstanden tussen dorpen zijn groot. Plan geen strakke agenda: wegen zijn smal, trajecten duren langer dan de kaart suggereert. Een uitvalsbasis in Matera of Cosenza geeft goede toegang tot zowel berggebieden als kust. Overnachten in de Sila of het Pollino kan via kleine hotels of vakantiewoningen — boek van tevoren in de zomermaanden.

De Apennijnen als reisbestemming
De Apennijnen zijn geen reservaatje voor wandelaars of een doorreis naar de kust. Ze zijn een reisdoel op zichzelf — met meer diversiteit dan veel Italiaanse regio’s afzonderlijk. Een week rijden door de centrale keten, van de Sibillini via de Gran Sasso naar het nationale park van Abruzzo, levert meer afwisseling op dan menig rondreis door beter bekende gebieden.
Wat dit gebergte onderscheidt van de Alpen is niet de hoogte of spectaculaire toppen — het zijn er weinig boven de 2.500 meter. Het is de bewoonde geschiedenis die in elk dorp zit, de keuken die varieert per vallei, de stilte die niet gekunsteld is maar gewoon het gevolg van een lage bevolkingsdichtheid en smalle wegen. Italië zonder publiek, zou je kunnen zeggen.
Veelgestelde vragen over de Apennijnen
Wat zijn de Apennijnen precies? De Apennijnen zijn het gebergte dat het Italiaanse schiereiland van noord naar zuid doorkruist, van Ligurië tot aan de punt van Calabrië. De keten is ruim 1.200 kilometer lang en vormt geografisch en hydrologisch de ruggengraat van het land. De hoogste top is de Corno Grande in Abruzzo op 2.912 meter.
Wanneer is de beste tijd om de Apennijnen te bezoeken? Mei, juni en september zijn de beste maanden: aangenaam warm, geen extreme drukte en — zeker in het voorjaar — spectaculaire appelbloesem en bloei op de hoogvlaktes. Juli en augustus zijn warm en droog maar ook drukker bij bekende trekpleisters zoals het Piano Grande. De winter leent zich voor sneeuwlandschappen en wintersport, maar sommige bergpassen zijn dan afgesloten.
Zijn de Apennijnen geschikt voor een rondreis per auto? Ja, en een auto is eigenlijk de enige zinvolle manier om de regio echt te verkennen. Openbaar vervoer is beperkt buiten de grotere steden. De wegen zijn smal en bochtig, maar juist dat maakt de rit de moeite waard. Houd rekening met langere rijtijden dan de kaart suggereert. Er is een ruim aanbod aan lokale accommodaties te vinden voor wie van plek naar plek reist.
In welke delen van de Apennijnen leven nog wilde dieren zoals wolven en beren? Wolven leven verspreid door het gehele gebergte, maar de grootste concentraties zijn te vinden in de Centraal-Apennijnen, met name in het Nationaal Park Abruzzo, Lazio en Molise en het Gran Sasso-massief. De Marsicaanse bruine beer is een ondersoort die vrijwel uitsluitend in het Nationaal Park Abruzzo voorkomt — een populatie van rond de vijftig dieren.
Wat maakt de Apennijnen anders dan de Alpen als reisbestemming? De Alpen zijn hoger, bekender en beter ontsloten voor massatoerisme. De Apennijnen zijn smaller, stiller en cultureel rijker in de zin dat elk deelgebied zijn eigen historische identiteit heeft — van Longobardische burchten tot Griekse nederzettingen, van Albanese dorpsdialecten tot middeleeuwse pelgrimsroutes. Wie Italië wil begrijpen voorbij de steden, boekt een sfeervol hotel of authentieke herberg en rijdt de bergen in.
